zaterdag 27 mei 2017

HET LAND VAN GEMIS




Het was niet de meest waarschijnlijke locatie voor een tentoonstelling, de boerderij van ex-boekhandelaar en ex-uitgever Egbert Forsten aan de Noodweg in Leegkerk. Die boerderij staat op een vreemd soort breuklijn, met aan de ene kant van de weg de wijk Gravenburg, buitenpost van de steeds maar verder uitdijende stad, en aan de andere kant, in een abrupte overgang, het Groninger land dat er al eeuwenlang hetzelfde uitziet. Maar daar in de verbouwde schuur exposeren Els Otten en Martin Tissing. En of ik wilde openen.

Er staat geen bord in de tuin. Dat hoeft ook niet, want Egbert Forsten heeft geen reguliere galerie of kunsthandel. Vroeger was er het antiquariaat van zijn vrouw Janna Hazelhoff (voor al uw Werkmannen), maar met het stijgen der jaren, en de toenemende krapte op de Werkmanmarkt, is dat allemaal wat verwaterd en bestaat het, als ik het goed heb begrepen, alleen nog in naam. Maar kunst is er genoeg, en af en toe wordt er iets georganiseerd. Zoals nu.

Omdat ik niet helemaal zeker wist waar die Noodweg precies was, had ik het van tevoren even opgezocht op Google. Behalve een kaart kreeg ik ook een foto te zien van dit huis en de omgeving, genomen vanaf de Gravenburgkant, dus een enkel huis in een landschap met veel plat, veel kaal en veel groen. Min of meer bij toeval stuitte ik ook op een verhaal over deze streek, over de geschiedenis, over het water, afgravingen, overstromingen, armoede. Over de mensen die hier ooit woonden. En vanaf dat moment wilde het niet echt meer lukken met de voorbereiding van dat openingspraatje. Ik merkte dat mijn gedachten voortdurend een andere kant op dwaalden. ‘Martin Tissing en Els Otten exposeren aan de Noodweg in Leegkerk’. Daar was iets vreemds mee, iets dat niet goed paste. Om de een of andere reden intrigeerde die plaats mij, niet eens zozeer uit historisch oogpunt, maar vooral in relatie tot kunst. Kunst in Groningen. En dan niet in de stad, maar in die ommelanden, een plek waar kunst zo ongeveer het laatste is dat je verwacht.  

Het zal allemaal ook te maken hebben gehad met het bezoek dat Martin Tissing en ik een paar weken eerder brachten aan het kleine museum De Wierde in Ezinge. Daar overkwam mij iets soortgelijks. In Ezinge woont, verscholen in het groen van zijn tuin,  Matthijs Röling. Die tuin heeft hij vaak geschilderd en in het museum had men nu in het grootste zaaltje een aantal van die tuinschilderijen opgehangen. Mooi, zou je zeggen. En dat was het ook, maar ook daar wrong iets. Matthijs Röling is een schilder in de klassieke traditie, in alle betekenissen van het woord, een erudiet man die zo ongeveer alles kent wat er in vijfhonderd jaar schilderkunst in Europa is gemaakt. Hij is bijna de verpersoonlijking van de klassieke kunst in Groningen. Maar als je vervolgens doorliep naar de andere zaaltjes van datzelfde museum, leek het wel alsof je van de ene wereld in de andere stapte, een wereld die niet te rijmen viel met wat je zojuist had gezien. Daar las je de geschiedenis van het Groninger land, en van de mensen die daar eeuwenlang hebben gewoond. Op een wand in zo’n zaaltje trof ik de volgende tekst aan:

We hebben al gezegd dat er aan het oosten aan de oceaankunst een aantal volkeren in behoeftige omstandigheden leven. […]  De oceaan dringt er met tussenpozen overdag en ’s nachts in enorme breedte en met onmetelijke golven het land binnen, zodat men bij deze eeuwige strijd in de gang der natuur twijfelt of de bodem aan de aarde of aan de zee behoort. Daar leeft een ongelukkig volk op heuvels of liever hoogten, die ’t met eigen hand heeft opgeworpen tot het uit ervaring bekende peil van de hoogste vloed. Op die hoogten staan hun hutten. Ze lijken op zeevaarders wanneer de zee het land rondom overstroomt, en op schipbreukelingen als het water zich heeft teruggetrokken en zij rond hun hutten de vissen najagen die met het water trachten weg te vluchten. […] Ze scheppen slijk op met hun handen dat ze meer in de wind dan in de zon drogen en zo verwarmen ze met aarde hun voedsel en hun daar in het noorden verstijfde lijven. Zo is het waarachtig: ‘Fortuin spaart velen voor straf’

Het zijn de woorden van een Romeinse geschiedschrijver uit de eerste eeuw na Christus. De Romeinse legers waren door de keizer uitgezonden naar het barre noorden, ver weg van hun amfitheaters en badhuizen, hun architectuur, hun dichters en filosofen, naar onherbergzame streken die ze niet kenden, waar het alleen maar koud, nat en donker was, waar de barbaren woonden. De schrik, de afschuw!

En die barbaren, bedacht ik, dat zijn wij. Of in ieder geval onze voorouders. Terwijl wij door de Torenstraat in Ezinge liepen, realiseerde ik me dat mijn moeder hier was geboren. Zo stond het tenminste in haar paspoort. En ooit was mij verteld dat mijn grootouders in hun jonge jaren bij het kerkje van Oostum hadden gewoond, niet ver daarvandaan. Het waren geen vreemden. Het verhaal van Plinius ging over mensen die leefden in een uithoek van Europa, in een uithoek van Nederland dat nog niet eens bestond, in een gebied waar leven gelijkstond aan overleven, waar mensen hun schamele bezittingen vergaarden op een zo’n klein stukje hooggelegen land en hoopten dat het water niet kwam.

Natuurlijk, later werd het leven beter. Er werden dijken aangelegd, sloten gegraven, kwelders ingepolderd. Er kwam landbouw en er waren zelfs mensen die daar rijk mee werden en die voor hun borgen zilveren brandewijnkannen of Chinese borden aanschaften om hun status te bevestigen. Een enkele keer lieten ze zelfs hun portret schilderen. Maar voor de meeste gewone mensen veranderde dat weinig aan de essentie van het bestaan. Het hier, het nu en het water. Hopen dat de oogst niet mislukt, en dat de dijken het houden. Want er was altijd die verraderlijke Lauwerszee. Soms ging het een poos goed. Maar steeds weer maakt de Groninger geschiedenis melding van stormvloeden, waarbij de ene keer duizend, de andere keer tweeduizend mensen verdronken. Bij benadering, want precies geteld werden ze niet. Een schrikbeeld van ontelbare dode koeien die ronddreven in het land. Een bestaan dat nooit vanzelfsprekend was.

En wat er in de rest van de wereld gebeurde, de Renaissance, de Gouden Eeuw, de Verlichting, het ging aan hen voorbij. Ze leefden in een wereld van alledag, waarin geen plaats was voor de fantasie, de verbeelding, van al teveel  denken. In leven blijven vergde al hun tijd en al hun aandacht. Het kan niet anders of zo’n bestaan drukt op den duur een stempel op mensen. Het bepaalt de manier waarop ze in het leven staan en tegen de dingen aankijken. Het creëert een volksaard, zoals we tot op de dag van vandaag merken in een streek waarin conversatie met vreemden zich in het gunstigste geval beperkt tot een nors ‘Moi!’. Het is geen wereld waarin kunst gedijt. Want waarom zou je dingen gaan verzinnen die niet bestaan als je al de handen vol hebt aan wat wél bestaat? Waarom zou je een landschap moeten schilderen als je het kunt zien als je uit het raam kijkt? Zo groeide de spreekwoordelijke Groningse nuchterheid, een groot goed, maar dodelijk voor de kunst.

Als je nadenkt over die onwaarschijnlijke combinatie, het Groninger landschap, de Groningers, en de kunst, dan kom je toch onvermijdelijk terecht bij de schilders van de Ploeg. Dan realiseer je je eens temeer hoe zij in ieder geval in dit opzicht baanbrekend waren. Want misschien wel voor het eerst in de geschiedenis waren er mensen die niet naar dat platte land keken met de ogen van de boer, de landmeter of de dijkgraaf, maar met die van de kunstenaar. Ze schilderden wat ze zagen, maar ze kleurden het landschap met het palet van hun verbeelding. De paarse koeien van Jan Altink, Jan Wiegers die de bomen rood schilderde.

Henk van Os heeft vaak het verhaal verteld van Job Hansen, die ergens op het Hoge Land in de open lucht zat te schilderen. Een boer die toevallig langskwam wierp een blik op zijn doek en vroeg hem, ongetwijfeld in lichte verbijstering: ‘Wat schilderst doe daor mienjong?’, waarop Hansen antwoordde: ‘Ik schilder roemte!’ Het blijft een mooie anekdote; het is alleen jammer dat het verhaal niet vermeldt wat de boer daarop zei. Maar dat laat zich raden.

Wij Groningers wonen in een land van gemis, een wereld waarin kunst en verbeelding van oudsher worden bekeken met argwaan en achterdocht. In de etalage van kunsthandel Ongering werden de schilderijen van diezelfde Ploegschilders op zondagmiddag bespot door de Groninger burgerij. Paarse koeien, rode bomen! Want iedereen weet toch dat er maar drie kleuren op het Hoge Land zijn: grijs in de winter, groen in de zomer, en het hardrood van de baksteen in de huisjes en de boerderijen. En als je geluk hebt, eventjes, het geel van het koolzaad. De rest is aanstellerij.

En nu komen we aan de Noodweg in Leegkerk het werk tegen van Martin Tissing. Vormen en kleuren die op het Hoge Land niet bestaan. De Romeinen hadden geen abstracte kunst, maar ik weet zeker als die Romeinse soldaten zoveel eeuwen geleden in een van die armzalige hutten schilderijen van Martin Tissing hadden aangetroffen, ze iets hadden herkend. Iets van thuis, het licht, de zachtheid van de kleur, hun cultuur, hun beschaving. En ze zouden even heel erg heimwee hebben gehad. In een interview voor een programma voor regionale tv kreeg ik een keer de vraag in hoeverre Martin Tissing nou een typisch Groninger kunstenaar was. Misschien dat de interviewer stiekem op een positief antwoord had gehoopt, maar ik kon hem alleen maar teleurstellen. Martin Tissing is weliswaar altijd in Groningen is gebleven en heeft nooit, zoals zovele anderen, de hoopvolle tocht naar het westen ondernomen omdat het kunstklimaat daar zoveel gunstiger is. Maar zijn werk is on-Gronings, of a-Gronings, misschien wel anti-Gronings. Het staat bijna haaks op het grove en soms wat zwaarmoedige expressionisme dat na de Ploeg het gezicht van de Groningerkunst is gaan bepalen. Schilderijen van de aarde, zoals ze ooit in een boek van het Groninger Museum werden genoemd. Maar in zijn werk kijkt Martin Tissing niet naar de grond,  naar de zompige klei van Groningen, maar naar de hemel, de sterren. Het laat niet de wereld om ons heen zien, maar een binnenwereld, een wereld waarin gevoel is vertaald in een eindeloze staalkaart van kleur. Het is een wereld die mijlen en mijlen verwijderd lijkt van dat Hoge Land, van Ezinge, van Leegkerk, ja, zelfs van Groningen. Maar hij is er wel, hier aan de Noodweg. En alleen al daarom mag je spreken van een bijzondere tentoonstelling. 

En het werk van Els Otten, is dat dan Gronings?  Al evenmin, vrees ik. Bij haar heb ik regelmatig meegemaakt hoe iets begon, waar de oorsprong van een werk lag. Hoe ze ergens iets tegenkwam dat haar raakte. Iets van kort geleden, of van heel lang geleden, iets van hier of iets van heel ver, van hoge cultuur of lage cultuur, maar in ieder geval iets dat haar om de een of andere reden trof. En dan zei ze: ‘Daar wil ik iets mee doen.’ Wat dat ‘iets’ precies was, was op dat moment nog niet duidelijk. Maar als je dan na verloop van tijd zag wat ze ermee ‘gedaan’ had, dan realiseerde je je dat er iets geheel nieuws was ontstaan, dat haar verbeelding het had getransformeerd tot een object dat was uitgetild boven tijd en plaats, dat universeel was geworden en dat in die nieuwe vorm in staat was om verwondering, en bewondering, op te roepen. En misschien is dat wel wat de kunst in de eerste plaats moet doen: ons slaan met verwondering.

Als we al die werken zien, in hun verscheidenheid, dan beseffen we hoezeer we de kunst en de verbeelding nodig hebben. Overal, maar misschien wel hier in het bijzonder, in het laagland van Groningen. Omdat de kunst weet ons even uit te tillen boven de zeespiegel van het dagelijks bestaan, boven de grijsheid, de letterlijkheid, de zakelijkheid. En zo bezien hebben Egbert Forsten en Janna Hazelhoff iets belangrijks verricht. Ze hebben hun eigen wierde opgeworpen, een wierde voor de kunst, een wierde voor de verbeelding. En daar mogen wij ze dankbaar voor zijn. Kijkt u zelf:


https://youtu.be/W8rw4PEyG5A
Klik op de afbeelding om de video te bekijken

dinsdag 7 februari 2017

UIT DE ARCHIEVEN: THOM MERCUUR OVER 'ZIJN' MUSEUM BELVEDERE - 2008


https://youtu.be/Yul8KD2zvAs

Klik HIER om het programma te bekijken



Klein pareltje uit de onafzienbare YouTube archieven, dit stukje Friese kunstgeschiedenis. Het is 23 october 2008. Thom Mercuur ontvangt Daniella Gerstel in Museum Belvedere voor het programma Het Depot van GPTV en vertelt over ‘zijn’ museum en dit atypische werkje van Gerrit Benner. Met ook nog een mooi overzicht van de toenmalige collectie.

dinsdag 24 januari 2017

WONDERLIJKE ONTMOETINGEN - COLLECTIE ANONIEM IN MUSEUM BELVEDERE






Toegegeven, het was in een stemming van lichte scepsis dat ik op weg ging naar Oranjewoud om de tentoonstelling Collectie Anoniem- Pour le plaisir des yeux in Museum Belvedere te gaan bekijken. De expositie die werd aangekondigd als ‘een verrassende presentatie met ongebruikelijke combinaties tussen moderne en hedendaagse beeldende kunst, etnografica, artistieke objecten en alledaagse dingen’. Er zou werk te zien zijn van Harmen Abma, Jan Schoonhoven, Armando en Rosenquist, omringd door oude gereedschappen, scheepsdiorama’s, stoommachines, speelgoed van vroeger tijden of etnografica. Als dat maar goed gaat, dacht ik. Want je kunt nu eenmaal niet zomaar dingen van de ene omgeving overhevelen naar een totaal andere. Bij kunstwerken gaat dat meestal nog wel, die blijven ergens anders ook wel overeind, maar dingen die deel uitmaken van een leefomgeving overleven maar zelden de plotselinge verhuizing naar een museumzaal. Ik kan me nog herinneren hoe, een paar jaar geleden, al die op zichzelf sympathieke verzameldingen in de tentoonstelling van Han Bennink, met de beste bedoelingen weggehaald uit zijn atelier, er in de vitrines van Belvedere opeens een beetje triest en verloren bijstonden en alleen maar leken te wachten tot ze weer naar huis mochten. Ik kon er alleen maar het beste van hopen.

Collectie Anoniem. Beetje vreemde naam voor een tentoonstelling. Museum Belvedere heeft in de loop van tijd veel aandacht besteed aan verzamelingen. Meestal worden die simpelweg aangeduid met de namen van de eigenaars: de collectie Piet en Ida Sanders, de collectie De Heus-Zomer, de collectie Knegt-Drenth, de collectie Van Toledo. Dat is gemakkelijk als identificatie, en is binnen de kunstwereld tegelijkertijd een kwaliteitsaanduiding. Want je hebt goede en minder goede verzamelingen, belangrijke en minder belangrijke.   





De bezitter van de Collectie Anoniem had de wens te kennen gegeven om zijn naam niet aan deze verzameling, en aan deze tentoonstelling, te verbinden en zoveel mogelijk buiten beeld te blijven. Dat maakt het een beetje mysterieus, en ook wat lastig, maar het is wel begrijpelijk. Want afgezien van het feit dat er al genoeg ijdelheid heerst in het verzamelwezen, dit is een collectie van een volstrekt andere orde. De Collectie Anoniem pretendeert niet om in kunsthistorisch of welk ander opzicht dan ook ‘belangrijk’ te zijn. Hij laat zien wat de eigenaar de moeite waard vindt om te verzamelen. Dat is alles. Maar zodra zijn naam bekend wordt, zal hem tot vervelens toe worden gevraagd om een toelichting, zo niet een verantwoording, van zijn ‘collectiebeleid’, een vraag waarop hij, naar ik inschat, alleen maar zal willen en kunnen antwoorden dat hij geen beleid heeft, dat hij gewoon dingen verzamelt die hij mooi vindt. 

‘Verzamelen wat je mooi vindt’ heet in het jargon ‘eclectisch’ verzamelen. Het betekent dat iemand niet verzamelt volgens een vooropgezet plan en zijn verzamelgebied niet afbakent aan de hand van kunsthistorische of andersoortige criteria, zoals een stroming, een tijdperk of een onderwerp. Alles kan en alles mag. De enige samenhang is zijn eigen smaak en zijn eigen voorkeur.

In professionele kringen wordt vaak laatdunkend gedaan over eclectisch verzamelen. Het wordt al gauw geassocieerd met amateurisme, een collectie ratjetoe, een gebrek aan onderscheidingsvermogen. Soms is dat ook terecht. Ik herinner me een man, niet heel ver van Groningen, die ervan overtuigd was dat hij zo’n bijzondere collectie kunst had verzameld dat hij er een museum voor in zijn achtertuin wilden laten bouwen. Dat museum is er nooit gekomen, en dat is misschien maar goed ook, want toen zijn rijp-en-groen verzameling na zijn dood werd ontmanteld, was er niemand die hem wilde hebben.

 Dit soort overwegingen van status en prestige spelen hier gelukkig geen rol. De Collectie Anoniem heeft een plezierige pretentieloosheid. Het is slechts een kleine greep uit een voorraad die, zo werd ons tijdens de opening toevertrouwd, nog vele malen groter is dan wat hier wordt getoond. Die is hem uiteraard van harte gegund, maar waarom, zo ga je je wel afvragen, moet dit alles in een kunstmuseum worden tentoongesteld? Kun je liefhebbers van stoommachines of oud speelgoed niet beter doorsturen naar de Verzamelbeurs? Het volstouwen van museumzalen met wat in de volksmond al gauw wordt afgedaan als ‘meuk’, ook al zitten daar een paar mooie schilderijen bij, lijkt, om het zacht uit te drukken, niet heel zinvol. Waarom dan toch deze tentoonstelling?




Wanneer de nietsvermoedende bezoeker door de klapdeuren de grote zaal van het museum binnengaat, is de kans groot dat hem bij de aanblik van wat in eerste instantie veel weg heeft van een ongeregelde partij kunst en curiosa even de schrik om het hart slaat. En daar komt nog bij, merkt hij tot zijn ontsteltenis, dat bordjes bij de tentoongestelde objecten totaal ontbreken. Nergens krijgt hij te horen wie iets heeft gemaakt, waar het vandaan komt of wat het eigenlijk is. En dat werkt ontregelend. Mensen kijken ietwat ontredderd om zich heen en buigen zich waar dat maar mogelijk is meteen naar voren om te kijken of ze de signatuur van een kunstenaar kunnen ontcijferen. Bekend maakt bemind. Maar hier ontbreekt iedere toelichting. Vreemd.

Het duurt even voordat het, hopelijk, tot hem doordringt dat dat precies is waar deze tentoonstelling zich tegen afzet: de behoefte om meteen te willen weten, herkennen en classificeren. Zodra ons de informatie omtrent de maker, de herkomst, de historische context en de marktwaarde van een object wordt onthouden, gaan we ons ongelukkig voelen. Onze geprogrammeerde kunstwaardering raakt in de war. Want dat betekent dat we zelf moeten gaan kijken, gaan overwegen en onze eigen conclusies trekken en dat zijn we, laten we eerlijk zijn, niet zo gewend. Nog lastiger wordt het als aan dingen die we in ieder geval nog als kunst herkennen opeens allerlei zaken worden toegevoegd waarvan dat allerminst zeker is. Is dit kunst, of kan het weg? Is dit kunst, of alleen maar mooi? Het is lang niet altijd duidelijk. Uiteindelijk rest de arme toeschouwer niets anders dan te stoppen met zich hierover het hoofd te breken. Aha! Want als hij op dat punt belandt, heeft de tentoonstelling in ieder geval zijn eerste doelstelling bereikt: hij keert terug naar onbevangen kijken, kijken zonder voorkennis, waarbij de objecten voor zichzelf spreken en hij als kijker alleen maar moet luisteren. En dat valt niet mee, zoals hij al spoedig merkt.  Kunst en kitsch, hoge kunst en lage kunst, kunst met opzet en kunst bij toeval, het gaat allemaal door elkaar lopen. Maar vreemd genoeg is het juist die verwarring die uiteindelijk uitmondt in de sensatie van verbazing en verwondering die deze tentoonstelling de moeite waard maakt.





 ‘Wonderlijke ontmoetingen tussen uiteenlopende objecten’, noemt het museum deze expositie. En dat zijn het ook. Maar laat u niks wijsmaken, die ontmoetingen zijn verre van toevallig, ook al lijkt dat soms zo. Al die tafereeltjes zijn zorgvuldig in scene gezet. Maar daar gaat het juist om. Een rondgang in de zaal wordt een aaneenschakeling van kijkavonturen. Het wonderschone reliëfje van Jan Schoonhoven op eerbiedige afstand vergezeld van een rijtje Afrikaanse beeldjes maakt een prachtig hoekje. Het schild uit Oceanië dat op de uitnodiging staat, is in zijn eentje imposant genoeg om een compleet wandje te vullen. Tientallen kleine Ewe popjes samengepropt op een plankje in de hoek lijken opeens samen een klein terracotta legertje. Objecten die we normaal gesproken niet in een museum verwachten krijgen door de manier waarop ze worden gepresenteerd opeens een waarde die ze daarbuiten niet hadden. Daarbij wordt de vraag of iets nou ‘kunst’ is of niet steeds moeilijker te beantwoorden, maar op de een of andere manier lijkt dat ook iets minder relevant. Zouden veel mensen raar opkijken als er bij de prachtig gevormde ‘oesterstokken’ die zo mooi aansluiten bij de twee onmiskenbare kunstwerken waar ze naast zijn geplaatst volgende week opeens een bordje met de naam, zeg, Giuseppe Penone hing? Of als dat vreemde houten Fyffes-kistje vol met ledematen van oude poppen opeens een onbekend werk van Broodthaers blijkt te zijn? 

Natuurlijk gaat het ook wel eens mis. Het oude reclamebord met ‘Levertraan’ boven de klapdeuren roept alleen maar associaties op met rommelwinkeltjes in achterafstraatjes. Wat zou er gebeuren, vraag je je dan af, als je er een ‘woordschilderij’ van Ed Ruscha naast zou zien? En die verbazingwekkende collectie stoommachines blijft, hoe lang je er ook naar kijkt, niets meer dan een verbazingwekkende collectie stoommachines. Misschien was er iets moois te maken geweest met bijvoorbeeld een industriële foto van Bernd en Hilla Becher. Jammer, die zitten niet in de Collectie Anoniem. Maar het feit dat je de neiging krijgt om zelf andere combinaties te gaan bedenken is op zich al een bewijs van de inspirerende werking die er van dit soort opstellingen kan uitgaan.




Pour le plaisir des yeux  is een dappere tentoonstelling, zeker na die van Käthe Kollwitz en Sjoerd de Vries, die vrijwel unanieme lof oogstten. Maar, zou je kunnen zeggen, daarin werd het ons ook wel erg gemakkelijk gemaakt. Het waren geheel verzorgde excursies, waarin alles voor ons was geregeld. We hoefden het alleen maar mooi te vinden. Zo bezien heeft deze expositie meer van een doevakantie. We moeten er zelf achter komen dat wat aanvankelijk oogt als een vrolijke kermis tegelijk een manier is om dingen ter discussie te stellen. Kijkplezier volop, maar ook stof tot nadenken. Want er wordt wel gemorreld aan onze ideeën over wat nou ‘kunst’ is en wat niet, definities worden even op losse schroeven gezet, scheidslijnen vervaagd of opgerekt. En dat levert weer nieuwe dingen op. Genoeg te ontdekken dus, genoeg te genieten en gelukkig hier en daar ook dingen om je aan te storen. En we moeten helemaal op eigen houtje maar zien wat we daar nou eigenlijk van vinden. Uiterst nuttig, en ook nog eens aangenaam.

Prettige vakantie! 

donderdag 19 januari 2017

VRAGEN ZONDER ANTWOORDEN: COLLECTIE ANONIEM IN MUSEUM BELVEDERE - deel 1


Er werd verbouwd aan het Zuiderdiep. Waar precies was niet duidelijk, maar er stond in ieder geval een grote container aan de weg waarin bouwafval werd gestort. Bovenop lag een betonroooster, zo’n ijzeren hekwerk dat blijkbaar was gebruikt om een gipsmuurtje te verstevigen, want op de kruispunten waren, in onregelmatige vormen, restjes gips blijven hangen. Verrek, dacht ik, dat lijkt wel een werk van Harmen Abma. Alleen, zo’n prachtige Abma had ik nog nooit gezien! En dan ga je nadenken. Wat zou er gebeuren als ik met dit ding binnensloop bij Museum Belvedere en het in een onbewaakt moment aan de wand hing? Zou er één museumbezoeker argwaan krijgen? Ik ga het maar niet proberen.





Wat is dit? Een koffiepot. Is dit kunst? Nee, natuurlijk niet. Hij staat bij mij in de keuken. Kunst wordt hij pas als Klaas Gubbels hem schildert. Maar stel nou dat Gubbels een viltstift pakt en hem aan de onderkant signeert. Wordt het daarmee een ready-made, en dus kunst?





Jarenlang verzamelde Rob Scholte borduurwerkjes, op rommelmarkten, in kringloopwinkels, bij het grofvuil. Stoere zeemannen met zuidwester en pijp, Nachtwachten, Drinkers, zigeunerjongetjes met traan, jachttaferelen met mannen in rode jassen met honden. Hij spande ze opnieuw op, maar nu met de onafgewerkte achterkant naar voren, deed er een eenvoudig lijstje om en signeerde ze ‘R. Scholte’. Toen hij genoeg had, exposeerde hij ze allemaal in grote blokken aan de wanden van Museum de Fundatie in Zwolle. Maar als ik er nu één van de wand pak, heb ik dan ook een kunstwerk in handen?



Lang geleden maakte Jeff Koons stalen sculpturen van een rode kreeft, wel twee meter hoog. Die kreeft had Koons niet zelf bedacht. Hij was gebaseerd op een plastic opblaasbeest waarmee kinderen in bad konden spelen. Toen kreeg hij een tentoonstelling in een Amerikaans museum, en de directeur had een idee. Hij kocht razendsnel alle rode kinderkreeften die hij in de speelgoedwinkels in de wijde omtrek kon vinden en bood ze vervolgens te koop aan in de museumwinkel. Ze gingen grif van de hand, voor 75 dollar per stuk. Moest deze man onmiddellijk worden gearresteerd?




Hoort een Afrikaans Fang masker, van recente datum dus niet heel zeldzaam of waardevol, in een museum thuis? Nee, zou je zeggen. Kenners van tribal art halen er hun neus voor op. Maar als je nou eens niet één, maar twaalf van die Afrikaanse maskers neemt en die in een patroon op de vloer legt in een museumzaal, heb je dan een conceptueel kunstwerk?

‘Quiet night!’ zei een Britse collega tegen premier Gerbrandy, toen ze tijdens de oorlog ’s avonds samen op een balkon in Londen stonden. ‘Nei’, antwoordde Gerbrandy, die nauwelijks Engels sprak. ‘Kwait ok nait.’

Sorry. Flauw. Maar ik weet het ook niet. Het waren maar een paar van de vragen die bij me opkwamen na het zien van de tentoonstelling Collectie Anoniem in Museum Belvedere. Kunst en kitsch, echt en vals, hoog en laag. Maar als een expositie, of hij nou goed is of niet zo goed, je zo aan het denken zet, heeft hij bij voorbaat al zijn nut gehad, zou je zeggen. Daarom zeer binnenkort meer.

dinsdag 29 november 2016

DE KUNST EN HET LEVEN: OVER JENTSJE POPMA



De zondagmiddag op Nederland 2 is traditioneel voor de regionale omroepen, dus ook voor Omrop Fryslân. De uitzendingen zijn ook in het Fries. Dat schijnt belangrijk te zijn voor de regionale identiteit. Niet geheel onlogisch, maar op die manier wordt wel vrijwel iedereen die niet in het bezit is van een West-Germaanse talenknobbel eigenlijk voorbaat uitgesloten. En soms is dat jammer. Bijvoorbeeld afgelopen zondag, toen een documentaire werd uitgezonden over de schilder Jentsje Popma. Vaak zijn kunstenaarsportretten wel boeiend, maar ook een beetje voorspelbaar. In dit geval pakte het, in ieder geval voor mij, anders uit. 




Jentsje Popma is vijfennegentig jaar geworden en de documentaire De Flecht nei it ljocht [De vlucht naar het licht] is bedoeld als een eerbetoon aan een schilder wiens felgekleurde Friese landschappen al decennia de wanden van grote en kleine kunsthandels en galeries in  Friesland sieren. Wie een bohémien op leeftijd had verwacht, à la Sjoerd de Vries, komt bedrogen uit. Hier zit een bescheiden man met een doorgroefd gelaat, met ogen die regelmatig in een onbestemde verte staren en die welhaast omgeven lijkt door een waas van melancholie en eenzaamheid. Hij is schilder, of beter, hij was schilder, want zijn atelier en alle schilderijen die er nog instonden heeft hij onlangs weggegeven aan een stichting die er een meditatiecentrum van wil maken. Schilderen, dat was vroeger. Wat overblijft is het leven, wat er nog van rest.

Klaas Werumeus Buning werkt aan zijn portret en vraagt hem naar zijn laatste schilderij. Het gaat over het verdwijnen uit het leven, zegt Popma. Het heet ‘De vlucht naar het licht’. Het heeft te maken, zegt hij, met mensen die een einde aan hun leven maken, Joost Zwagerman, Eugéne Brands. Het laat een opening in het wolkendek zien, een blauw vlak waarin de mensen verdwijnen.

  

Bij de kunstenaar thuis, in de schemering. Popma brengt thee. De kopjes trillen in zijn handen. Schilderen doet hij al een poos niet meer, zegt hij. Het komt er niet meer van. Ouderdom, en de laatste jaren moest hij zijn vrouw verzorgen. Ze is nu overleden. Op de achtergrond hangt een portret dat hij ooit van haar maakte, en de camera zoomt in op een ingelijste foto, beide van haar als jonge vrouw. Heel veel heeft hij niet te zeggen. Er vallen lange stiltes waarin de camera inzoomt op zijn gezicht, waarop het verdriet af en toe vlak onder de oppervlakte lijkt te liggen. 

Je schrikt bijna als een harde vrouwenstem het overneemt en, zoals dat in kunstdocumentaires hoort, vertelt over zijn opleiding en zijn werk in opdracht in de jaren vijftig en zestig en hoe hij daarna besluit zich alleen nog te richten op het Friese landschap, en de manier waarop dat onder zijn ogen steeds verder wordt aangetast door de moderne tijd. Het verstoort even de sfeer, net als de passages waarin zijn schilderijen net iets te uitbundig worden aangeprezen. Want deze film gaat, naar blijkt, eigenlijk veel meer over de man dan over zijn werk.

Popma rijdt door de provincie, over binnenwegen. De vogels zijn vrijwel verdwenen, zegt hij. Even leeft hij op als hij een boer tegenkomt die zijn koeien de weg over drijft naar het weiland. Het doet hem denken aan vroeger. Want het moderne landschap is alleen nog maar ‘productie, productie, productie’. Nee, dan de omschrijving die Rudy Hodel ooit gaf van zijn werk als een ‘ode aan Gods schepping’. Dat deed hem goed.

Maar het leven is hier, en nu. Zolang het duurt. En dan maken mensen zich druk over dingen. Bijvoorbeeld of Jentsje Popma eigenlijk niet een overzichtstentoonstelling zou moeten krijgen. Goed bedoeld natuurlijk, en wie zou het hem misgunnen? De vraag is of dat, zoals sommigen willen, in het Fries Museum zou moeten. Directeur Kris Callens heeft laten weten dat daar geen sprake van kan zijn. Het Fries Museum heeft geen ruimte en richt zich bovendien op kunstenaars met een internationale bekendheid, of kunstenaars die de Gerrit Benner prijs hebben gekregen. Het lijkt een beetje een bijeengeraapte redenering, maar dat zij hem vergeven. Je kunt als niet-Fries nu eenmaal niet gewoon zeggen dat zijn schilderijen niet het niveau hebben waar het museum naar streeft. Wat dan ben je opeens weer, net als Wim van Krimpen eerder, de arrogante buitenstaander die niets van Friese kunst begrijpt. Maar gelijk heeft hij wel. Jentsje Popma maakt deel uit van de lokale Friese kunstwereld en het zou goed zijn als hij ook daar werd geëerd, in een lokaal museum. Nu het Fries Museum geleidelijk blijk geeft van hogere ambities, moeten er andere maatstaven gelden.  Bij zijn aantreden liet Wim van Krimpen aantekenen dat wat hem betreft niet iedere kunstenaar die lang genoeg leefde automatisch een overzichtsexpositie zou krijgen. Er moest ook aandacht zijn voor kwaliteit. Het werd hem, zoals wel meer, niet in dank afgenomen. En nu staat Kris Callens voor dezelfde keuze.





Jentsje Popma maakte schilderijen van het Friese landschap, en dat vinden mensen mooi. Misschien niet eens in de eerste plaats omdat het zulke goede schilderijen zijn, maar omdat ze een landschap herkennen dat hún landschap is, de grond waarmee ze zich verbonden voelen, ongeveer zoals sommige Groningers Jannes de Vries mooi vinden. En dat mag uiteraard. Dat kan stemmen tot voldoening en tevredenheid. Maar er is geen reden om, zoals in een ander programma gebeurde, door te draven over ‘internationaal niveau’, want dan hou je jezelf voor de gek en andere mensen ook. En Popma zelf is er ook te nuchter voor: ‘Als ik dood ben, weet na tien jaar niemand meer wie Jentsje Popma was’.

Misschien is het wel de verdienste van dit gefilmde portret dat die weigering van het museum, hoe terecht ook, in het licht van deze film ook iets bruuts krijgt, dat artistieke en menselijke maatstaven hier niet helemaal meer samenvallen. Want meer nog dan een beeld van een kunstenaar is dit een document humain, een blik op het eind van een menselijk leven waarin veel dingen, en zelfs de kunst, even hun eerdere belang lijken te verliezen.  Natuurlijk, morgen dienen dezelfde vragen zich weer aan, maar in ieder geval zolang de film duurt, lijkt het leven uit te stijgen boven de kunst.

De documentaire eindigt met een shot van Popma op de dijk, met de zee op de achtergrond. Hij praat over zijn vrouw, met wie hij drieënzestig jaar getrouwd is geweest. Het is moeilijk. Lange stiltes. In de laatste seconden, terwijl hij wegloopt van de camera in het licht achter de dijk, zegt hij nog: ‘En nu willen ze dat ik een overzichtstentoonstelling krijg in het Fries Museum, omdat ik zo oud geworden ben. Voor mij hoeft het niet.’ En ik geloof hem. Op zijn vijfennegentigste is deze treurige man niet meer bezig is met roem en erkenning, de dingen van die wereld die hij eigenlijk al achter zich heeft gelaten.





Het ga je goed, Popma. Ik hoop dat er mensen zijn die voor je zorgen en af en toe wat vreugde brengen in je dagen. Van mij mag je honderd worden, maar ik weet niet of dat iets is waar je zelf naar uitkijkt. Maar dit was wel een heel mooi portret.

En die overzichtstentoonstelling in het Fries Museum? Ach nee, laat maar.





De documentaire is terug te zien op:



donderdag 17 november 2016

GRONINGER MUSEUM TOONT RULOFF MANUPUTTY



In het Groninger Museum is op dit moment een kleine presentatie te zien van werk van Ruloff Manuputty (1926-2002). In Friesland is ‘meneer Manuputty’ bij tenminste één generatie kunstenaars hoofdzakelijk bekend als directeur van de Academie Vredeman de Vries, waaraan hij van 1965 tot 1987 leiding gaf. Zijn eigen werk hield hij zorgvuldig afgeschermd van zijn studenten en pas nadat hij was verhuisd naar Groningen was het, mede op aandringen van zijn leerling Henri de Wolf, af en toe te zien in Forma Aktua.


Ruloff Manuputty voelde zich niet verwant met het noordelijk expressionisme dat hij in zijn nieuwe omgeving aantrof, en evenmin met de post-Cobra traditie die in Nederland hoogtij vierde. In plaats daarvan probeerde hij visuele elementen uit zijn Molukse achtergrond te combineren met een poëtische Europese traditie: Miro, Klee, de École de Paris, de vroege Corneille en, in Nederland, Jaap Nanninga. Het resultaat is een kleurrijk geheel waarin een veelheid aan invloeden doorklinkt, maar die slechts bij uitzondering een onmiskenbaar persoonlijk stempel draagt.


Manuputty heeft altijd een bescheiden plaats ingenomen in de noordelijke kunst en deze presentatie zal daar weinig aan veranderen. Maar in het verlengde van de tentoonstelling Jong in Groningen, nu alweer acht jaar geleden, wordt opnieuw een plekje op de noordelijke kunstkaart nader ingevuld. En dat is, in al zijn beperktheid, een positieve bijdrage tot de geschiedschrijving van de noordelijke kunst.
De korte documentaire die de Stichting Beeldlijn in 1989 over Ruloff Manuputty maakte is terug te kijken op Podium TV:
http://www.podium.tv/nl/201501141700/noorderdiepte/aflevering-17/ervaringen-van-een-witte-vogel



zondag 30 oktober 2016

SPECTACULAIRE OPBRENGST VOOR JAN MANKES VEILING



Met een opbrengst van ruim 52000 euro, waarvan Museum Belvedere zo’n 42000 overhoudt is de Jan Mankes veiling van Museum Belvedère is een overweldigend succes geworden. Dat heeft misschien niet eens zozeer te maken met het aangeboden werk, dat in alle opzichten uiterst gevarieerd was. Maar het zegt wel iets over de betrokkenheid van veel mensen in het noorden bij het museum. In een tijd waarin musea hoofdzakelijk worden beoordeeld op bezoekersaantallen en economische meerwaarde heeft een klein museum als Belvedère het zwaar, juist omdat het belang van het museum voor de regio niet onmiddellijk in harde cijfers kan worden vertaald. De belangrijkste functie van Museum Belvedère voor Friesland, en in feite voor Noord-Nederland, is die van een centrum voor beeldende kunst, een trefpunt en een platform voor al die kunstenaars die leven en werken in een gebied waar de grotere musea zich niet of nauwelijks om de hedendaagse kunst uit de eigen omgeving bekommeren. En daarmee levert Museum Belvedère een belangrijke bijdrage aan het culturele klimaat in een deel van Nederland dat in dat opzicht toch al niet rijkelijk bedeeld is. Het is te hopen dat gemeentes, provincies en subsidieverlenende instanties gaan beseffen dat deze rol, hoe rekenkundig ongrijpbaar ook, van essentieel belang is voor het lokale kunstklimaat en daarom genereuze en structurele steun verdient.